|
Drift (het verwaaien van gewasbeschermingsmiddelen naar buiten de perceelsgrenzen, b.v. het wateroppervlak) bij veldspuiten is afhankelijk van een groot aantal factoren zoals doptype, gewashoogte, spuitboomhoogte, windsnelheid en windrichting ten opzichte van de sloot. De laatste jaren hebben veel ontwikkelingen plaats gevonden om drift te reduceren. Door de invoer van driftreducerende maatregelen kunnen meer middelen voor de sector beschikbaar blijven. In het Lozingenbesluit (in werking per 1 maart 2000) zijn maatregelen opgenomen om de druppeldrift te verminderen. Een van de maatregelen is het verplicht stellen van het gebruik van driftbeperkende maatregelen op de buitenste strook van een perceel (14m). Drift metingen naar de effecten van doptype, luchtondersteuning, spuitboomhoogte en afscherming zijn uitgevoerd.
Bij driftmetingen wordt het gewas achtereenvolgens zonder en met luchtondersteuning bespoten. De drift naar de grond wordt naast het gewas (benedenwinds) op verschillende afstanden bepaald. De bespuitingen worden uitgevoerd met water waaraan de tracer BSF en een uitvloeier (Agral) is toegevoegd. De metingen worden in 10-voud herhaald. Het effect van de doptypen en de luchtondersteuning op de drift wordt uitgedrukt ten opzichte van de standaard dop op de spuit waarop ook die driftarme dop is gemonteerd.
Drift neemt doorgaans af met toenemende afstand van de perceelsrand. Ter vergelijking wordt de drift daarom op een vaste afstand vergeleken, de strook 2-3 m vanaf de laatste dop. Afhankelijk van de teeltsituatie komt deze afstand overeen met de plaats waar het oppervlaktewater kan liggen.
Driftarme doppen zijn doppen die bij een gelijkblijvende afgifte een grover druppelgroottespectrum hebben dan de standaard spleetdoppen. Deze doppen geven met toenemende grofheid van het druppelspectrum een afnemende drift. Afhankelijk van het type, de grootte en de spuitdruk van de dop worden driftreducties tot 95% gehaald. Er zijn grote verschillen in driftreductie tussen typen “driftarme” spuitdoppen.
Een andere techniek om de drift te reduceren is het gebruik van luchtondersteuning. Hierbij wordt het transport van de druppels naar en in het gewas ondersteund door een neergaande luchtbeweging opgewekt door een ventilator op de spuit. Doorgaans wordt door luchtondersteuning een reductie van 70 % gehaald, onafhankelijk van het doptype.
Door de afstand tussen de dop en het gewas te verkleinen wordt het traject waar de wind invloed op de druppels heeft verkleind. Door de spuitboomhoogte boven het gewas te verlagen zal de drift afnemen. Een verlaging van de spuitboomhoogte van 0,7 m naar 0,3 m boven het gewas resulteerde bij standaard spleetdoppen in een driftreductie van 80 %. Dit jaar wordt bekeken of dit resultaat ook in de praktijk haalbaar is.
Het spuitproces kan ook afgeschermd worden van de weersinvloeden door de bespuiting in een tunnel uit te voeren. Hierdoor werd in de fruitteelt een driftreductie van 90 % gerealiseerd.
|
|